Tv-recensie #28: Rolstoel Roadmovie & Itzhak

Tv-recensie #28: Rolstoel Roadmovie & Itzhak

In de documentaire Itzhak (over violist Itzhak Perlman) is een beperking geen uitdaging die op inspirerende wijze overwonnen moet worden. Mijn tv-recensie over Itzhak en Rolstoel Roadmovie lees je hier.

Rolstoel Roadmovie.jpeg

Advertenties
Tv-recensie #27: Hotel Rules

Tv-recensie #27: Hotel Rules

Even was ik sprakeloos, toen ik de opzet las van het nieuwe Net5-programma Hotel Rules: ‘Vijf stellen gaan elkaars bed and breakfast verbouwen’. Er drong zich een akelig toekomstvisioen op, waarin ik voortdurend hybrides van bekende tv-hits zou moeten bespreken: ik zag een programma als U vertrekt voor me, waarbij buren een verrassingsemigratie voor elkaar organiseren, of Jouw Rouw, Mijn Rouw, waarbij families die een opa of oma verloren een uitvaart voor elkaar bedenken.
Tv-recensie bij de de Volkskrant lees je hier.

Hotellrules1.png

Uitkrant 36: waarin ik gezellig met de buren om het vuur kruip

Uitkrant 36: waarin ik gezellig met de buren om het vuur kruip

Het is zaterdagavond en dit is het plan: ik ga opgekruld in de hoek van de bank zitten om een Netflixserie te kijken die ik niet per se hoef te zien en af en toe zal ik, één slapend been achter me aan slepend, naar de keuken gaan voor proviand. Ik heb mijn ogen al strak op een of andere truecrime-toestand gericht, als ineens een doffe knal klinkt: pal voor mijn raam schiet binnen één tel een manshoog vuur op. Zie ik een schim wegschieten? Ik druk op de pauzeknop. True crime. Voor míjn raam. Een scooter staat in de fik, en dan een tweede. Call 911! Nee sorry, 112.

Als ik ophang klinkt er een kanonslag, dat zal de tank zijn, en is het vuur een verdieping hoog. Mijn huiskamer baadt in rood licht, de hitte broeit al door het glas. Gehypnotiseerd staar ik in de knetterende vlammen. Opvallend, hoe makkelijk het is om iets boeienders te maken dan er op Netflix is.

Ook de buren hebben hun tv’s gepauzeerd en komen in banktenue hun huizen uit. Ik loop op sokken naar buiten. Daar is Rob, hij noemt zich de buurtnazi, en tsja, kom hoe heet ze ook alweer, die aardige oudere buurvrouw met wie ik te vaak een kletspraatje heb gemaakt om haar naam nog te kunnen vragen. Ik bedenk dat ik van vrijwel geen van hen de naam ken, alleen hun huisnummer: ik spreek ze van dankjewel-doei als we pakketjes uitwisselen die we voor elkaar hebben aangenomen. Je kan veel zeggen van die brandstichters, maar ze brengen de mensen wel bijeen.

‘We kunnen dit vaker doen’, zegt nummer 210, die Sjoerd blijkt te heten, terwijl hij een sjekkie rolt. Een ander stelt een buurtbarbecue voor. Even krijg ik de aandrang mijn tuinmeubilair te offeren aan het vuur. Wat grof vuil erop, zo’n kinderfietsje of een conifeer, iemand pakt een sixpack – maar dan maakt een brandweerman met een sissende straal een eind aan het spontane buurtfeest.

Een politieman kijkt met zijn armen over elkaar toe. ‘Ik zag nog iemand weglopen’, zeg ik tegen hem, terwijl ik me afvraag of de vermoedelijke schim ook een kat had kunnen zijn, ‘die kant op’. Ik kijk de agent verwachtingsvol aan, met een blik die zegt: apport agent!, alsof ik de hoop koester dat hij het op een hollen zal zetten, die kant op, om versterking zal vragen via zijn portofoon, en er dadelijk een formatie van helikopters met groot licht boven mijn huis zal cirkelen. Je probeert er toch alles uit te halen, zo’n zaterdagavond. Hij verroert geen vin. ‘Het is vreselijk lastig, vrijwel onmogelijk, mevrouw, om brandstichters te pakken’, zegt de agent. Even kijk ik de kring rond: de pyromaan kan in ons midden zijn, die is een blokje om gegaan om dan te komen kijken, zo gaat dat heb ik op Netflix gezien.

’Heeft u een signalement?’, vraagt de agent, om toch maar iets te vragen. Even overweeg ik een nauwkeurige omschrijving te geven van mijn ploertige overbuurman, maar ik ben door de brand in een immens buurlievende bui en schud braaf mijn hoofd.

Uitkrant #35: waarin ik beter direct de bioscoopzaal had kunnen verlaten

Uitkrant #35: waarin ik beter direct de bioscoopzaal had kunnen verlaten

‘Ho ho’, klinkt een stem. Het is de oudere dame met de kunstzinnige oorbellen, die zojuist onze filmkaartjes heeft afgescheurd. ’Mag ik nog even in jullie tas kijken?’ Ik kijk verbaasd. ‘Controleren of jullie geen rumoerig eten bij jullie hebben’, zegt ze. ‘Dat gekraak van popcorn kan niet hè?’ De vrouw keurt de muisstille wraps die ons avondeten moeten worden en gunt ons het voordeel van de twijfel.

Dan gebeurt er iets ergs: we blijken voor twee verslaggevers te zitten. De verslaggever is het type bioscoopbezoeker dat elk grapje uitlegt aan zijn gezelschap en ook alvast vermoedens over de moordenaar uitspreekt. Een soort cinema-gilles de la tourette waardoor alles dat fijn, subtiel en impliciet is, expliciet wordt gemaakt. Verslaggevers kunnen er zelf niets aan doen, en je kunt deze verbaal incontinenten niet herkennen voordat je een stoel kiest. Hoewel, en ik begeef me hier op riskant terrein: ik wil niet zeggen dat alle ouderen verslaggevers zijn, maar alle verslaggevers zijn wel ouderen.

Stuur me geen brieven om me ervan te overtuigen dat het juist jonge mensen zijn die met hun kraakchips en pingtelefoons het bioscoopklimaat verpesten, met hun kaarsrechte wervelkolommen die het zicht op de ondertiteling belemmeren. Jongeren zijn natuurlijk óók hufters, maar van een ander soort. Ik weet na honderden bioscoopbezoekjes wat ik weet. En ik weet ook, dat ik, als ik voor twee verslaggevers terechtkom, ik het beste meteen de zaal kan verlaten.

Ik wil namelijk geen film kijken met de AliExpress-versie van regisseurscommentaar, maar ik ben ook niet in staat er iets aan te doen. Als je eenmaal shhhhhhh hebt gesist, draag je de rest van de film de zware last van het gelijk. Ik kijk achter me: zijn het misschien Indiase mensen? In India schijnt het normaal te zijn om in de bioscoop te praten. Ik weet dat niet uit ervaring, want ik zou nooit naar een land gaan waar mensen praten in de bioscoop. Ze stoppen vast zo, denk ik. Maar een verslaggever stopt nooit. Het liefst zouden ze er laser-pennetjes bij pakken, om op het scherm aanwijzingen aan te wijzen.

Mijn date weet dat en blaft de verslaggevers toe stil te zijn. De vrouw reageert gepikeerd, alsof haar kortingspasje ter plekke werd doorgeknipt. Mijn date fluistert de oudere dame hierop iets te hard een nare ziekte toe, zo een waarop ze op haar leeftijd al goede kans maakt. De verslaggevers letten hierna niet meer op de film – net goed, niemand gaat meer genieten vanavond. Ze letten alleen nog op of ik wel stil genoeg ben. Ik kijk mijn date woest aan. De slappe wrap ligt in mijn tas. Mijn maag knort. Ogen branden in mijn nek.

Pas gisteravond, toen ik de ontknoping van Wie is de Mol? keek, zag ik een oplossing: Mol-fans in het publiek zwaaiden met vlaggetjes, met daarop hun vermoedelijke mol. Ik pleit voor verslaggeversvlaggetjes in de bios, waarmee bezoekers die iets hebben begrepen mogen zwaaien. Stil. In het donker.