Uitkrant #13: waarin ik de horror in huis haal

Uitkrant #13: waarin ik de horror in huis haal

ellisdoetemma

(Hee, een nieuwe foto! Klopt. Gemaakt door Ellis Regina Jansen, dierbare vriendin én topfotograaf.)

Het eerste halfjaar dat ik in m’n nieuwe huis woonde vertikte ik het om een douchegordijn te kopen. Alle soorten gordijnen, eigenlijk. Als iemand zei: ‘Leuk huis, komen er nog gordijnen?’, dan wees ik snel naar andere bewijzen van mijn volwassen­wording, zoals mijn salontafel en mijn wasmachine. Gisteren ben ik toch be­zweken en toen het ding hing wist ik weer wat er mis mee is: als je een dou­chegordijn hebt, kan er ook een schim achter dat gordijn verschijnen.

Nu verwacht ik natuurlijk niet écht dat er iemand de moeite neemt om mij op zo’n onoriginele manier te komen vermoorden. Het beeld dook gewoon op, een beeld dat kennelijk al die tijd al op z’n kans wachtte om een fractie van een seconde te komen spoken. De winter is een goed seizoen voor horror, dus na het douchen keek ik Psycho nóg een keer. In mijn herinnering was het allemaal veel gruwelijker.

Net als bij Brimstone, de horrorwes­tern van Martin Koolhoven die nu draait. Ik ben heel wat uitgerukte ingewanden gewend, maar kwam de zaal uit met het gevoel dat ík, en niet heldin Liz, was gemarteld door mannen – door Koolhoven, in mijn geval. Gelukkig kon ik Koolhoven interviewen en dus vroeg ik hem van de week een beetje pinnig waar al die afgesneden tongen, rondvliegende darmen en geamputeerde ledematen voor nodig waren. ‘Die waren niet in beeld,’ zei Koolhoven, hij had alleen maar gesuggeréérd dat er tongen wer­den afgesneden. De rest had ik er zelf bij verzonnen, beweerde hij.

Misschien is dat nog veel erger, om iets bijna te zien maar niet helemaal, zodat je de rest zelf in kunt vullen met steeds bloediger wordende taferelen. Alsof je je overbuurvrouw met de staafmixer op het oog van je over­buurman ziet mikken, vlak voor de luxaflex naar beneden valt.

Wil ik het zien? Nee, ik wil het niet niet zien.

Gordijnen voor m’n ramen heb ik trouwens nog niet. Ik wil niet dat mensen naar binnen kunnen kij­ken, maar ik wil ook niet niet naar buiten kunnen kijken. In de eerste week van januari waren er in mijn postcodegebied zes inbraken en twee pogingen-tot. Ik blijf kijken, maar ’t gebeurt steeds net niet voor mijn raam. Bij mij in huis gebeurt ook niet veel spannends, dus het is een eerlijke ruil, wat mij betreft. Al moet ik eerlijk zeggen: ik heb geïnformeerd naar dat eenzijdige politieglas. Ook voor in de douche.

Deze column is gepubliceerd in de Uitkrant februari 2017.
Vanaf nu kun je mijn columns voor de Uitkrant ook online lezen, op de I Amsterdam blog.

Uitkrant #12: Waarin ik wil knippen in die händel

Uitkrant #12: Waarin ik wil knippen in die händel

Mijn verkering en ik fietsten keurig verkleed door de regen naar het Waterlooplein en schuifelden langs de kunstknieën op het eerste balkon. We gingen naar de opera – daar kom ik ook niet wekelijks, maar ik sta altijd open voor nieuwe hobby’s. De opera heette Jephta en er werd van alles uit de kast getrokken om het werk van Händel uit 1751 deze eeuw in te trekken: er schoven grote blokletters op een rail het toneel over. Er werden beelden geprojecteerd op minimalistische, felle decorstukken. Er werd zelfs royaal met confetti gestrooid (dat bestond nog niet in 1751). Ik vond het mooi hoor, echt. Maar ik wilde gewoon nu en dan een stukje… doorspoelen?

Voor ik alle vooroordelen over mijn generatie van op hol geslagen input-verslaafde Snapchatters over mezelf afroep: toen ik om me heen keek, zag ik her en der mensen die daar ook aan dachten. Met hun ogen dicht. Ze waren allemaal in de pensioengerechtigde leeftijd, of zouden die bereiken eer het stuk voorbij was.

Ze stonden er drieënhalf uur later wat verslagen bij, op de borrel. Lovend hoor, dat wel. Alleen het meisje van de garderobe zei zachtjes: ‘Het wordt wel wat vaak herhaald allemaal hè?’ Hiermee brak ze een ijzeren wet van het praten over kunst: over de lengte hebben we het niet. Niet hardop. En zeker niet bij eeuwenoude opera. Als de lengte niet nodig is om iets te vertellen, dan is het wel om het verhaal te laten gisten als een goede wijn, zodat je bij het slot de lading écht tot je laat doordringen. Gebeurt er vaak niets, of juist vaak hetzelfde? Dan noem je het meditatief. Stel je vraagtekens bij hoelang iets duurt, dan riskeer je over te komen als een boerenpummel, die de betekenis heeft gemist. Een boerenpummel die zat te dwalen, en tijd en geld heeft verdaan.

Stiekem denken aan doorspoelen kan altijd. Maar niemand stelt hardop voor om te knippen in die händel. Knippen betekent toegeven dat mensen zijn veranderd sinds 1751. Dat ze anders kijken naar verhalen, allemaal.

Misschien is de opera een van de weinige plekken waar je nog kunt schuilen voor je eigen tijd. De tijd van knippers en plakkers, waarin je één keer knippert en je hebt het gemist. Hier kun je uitrusten, hier mag je heel langzaam knipperen. Heel, heel langzaam.

Deze column staat in de december/januari-editie van de Uitkrant Amsterdam. Je kunt ‘m hier of hier gratis lezen (of als je in Amsterdam bent, ergens meenemen).

 

 

Uitkrant #11: waarin ik pleit voor entreeprijzen bij de Kalverstraat

Uitkrant #11: waarin ik pleit voor entreeprijzen bij de Kalverstraat

De Amsterdamse politie herinnerde er in oktober nog maar eens aan: de Kalverstraat is al twee keer gesloten vanwege file. Winkelend publiek belde toen naar 112, want het kon de winkels niet meer uit. Toen ik het las stelde ik me levendig voor dat de Kalverstraat naast de Bijenkorf de Wespenvanger zou komen te heten, zo’n ding vol ranja waar je wel in kunt maar niet uit, met de Amsterdam Dungeon als massagraf in het midden.

Nou is het bekend dat daar altijd een stroom langzaamlopend verkeer sjokt, waar met name op de kruising met het Spui bijna geen doorkomen aan is (tenzij je met de bierfiets bent). Maar stilstaand verkeer is hier nieuw. Ik zag een Youtube-filmpje van een Japans onderzoek waarin je ziet hoe een aantal automobilisten, aan wie gevraagd is in een cirkel te rijden op gelijke snelheid, binnen een minuut stil staat. Voetgangers in rijen zijn net zo gedoemd: mensen kunnen én niet gelijkmatig bewegen, én niet inschatten. Als één iemand een klein beetje vertraagt omdat ‘ie de etalage van Forever21 bekijkt, remt de volgende te veel af, en rolt een golf van steeds grotere vertraging naar achter. Uiteindelijk sta je stil tegen je wil, met je tasje in de Pull & Bear, en je wilde nog wel naar die nieuwe Primark Flagship Store op het Damrak. Waar is die Damschreeuwer als je hem nodig hebt om de boel te ontruimen?

Sinds ik dit las raak ik al in paniek in de buurt van de Wespenvanger. Een meerbaanssysteem is niet genoeg. Je moet ook nog iets bedenken voor spooklopers, invoegend verkeer en dan hebben we ‘t nog niet eens over recreanten die ‘even schuin willen oversteken’ van de Zara naar Bershka, daarmee de hele kruising met de Duifjessteeg lam leggende. De Douglas lijkt zo dichtbij, en je wilde nog een Rituals-pakket voor je moeder onder de boom. Probeer dán die kerstgedachte maar eens vast te houden. Entreepoortjes zijn de enige oplossing.

In de autowereld is de oplossing er al lang. De zelfbesturende auto heeft vrijwel geen reactietijd, tegenover ¾ seconde bij een mens. De gelijkenis tussen voetganger en auto houdt bij traagheid wel op, want als een automobilist een file voor zich ziet, kan ‘ie niet meer ontkomen. De winkelende mens heeft een keuze. Je hebt vast weleens naar een wespenvanger gekeken en gedacht: ziet die wesp zijn broers en zussen niet verdrinken daar boven?

Deze column staat in de november-editie van de Uitkrant Amsterdam. Je kunt ‘m ook altijd hier gratis lezen (of als je in Amsterdam bent, ergens meenemen)