Tevreden varkens naar de musical

Tevreden varkens naar de musical

Wat filmconsumptie betreft beschouwde ik mezelf een alleseter. Tot ik in aanloop naar de afgelopen Oscaruitreikingen tot de ontdekking kwam dat ik één genre jarenlang stelselmatig heb genegeerd, ja zeg maar gerust gedemoniseerd. Ook ik sprak ooit die woorden: ‘een verstandig mens barst toch niet spontaan in zang en dans uit?’  Pas toen Anne Hathaway me met haar Fantine in Les Misèrables tot tranen toe roerde besefte ik wat voor kansen we al die tijd hebben laten liggen. Wij, ja. Nederland.

De musical. Ook aardige pogingen als Chicago en Moulin Rouge konden het stuiptrekkende genre niet reanimeren. Steeds weer kwam dat ondergeschoven kindje in een nieuwe klas terecht na de vakantie, steeds weer gepest om dezelfde redenen. Alleen bij Disneyfilms schijnt het niemand moeite te kosten zich mee te laten nemen in die wereld van spontane zang – misschien omdat het toch aannemelijker is dat een klok, een theepot en een kandelaar samen een variété beginnen.  Maar met kinderfilms als best gelukte navolgers, lukt het de musicalfilm natuurlijk nooit boven zijn imago van flinterdunne verhaaltjes en meer glitter dan guts uit te stijgen. De Nederlandse filmmaker waagt zich er opvallend genoeg helemaal niet aan. Waarom toch?

Musical is nep, heet het. Ze werd eind jaren twintig zo uit het theater gerukt en voor het karretje van de film gespannen. Nu het geluid er eenmaal was, leek het logisch de personages honderduit te laten zingen. Film was theatraal en het was dus zonneklaar dat het publiek gevraagd werd zich over te geven aan een vertelling. Door de wervelende ontwikkeling van het medium zijn we het gevoel van performance gaandeweg maar wat graag verloren. De parallelmontage, helikoptershots, al die kunstgrepen accepteren we als methoden om ons dichter bij de waarheid te brengen. In die mate, dat zelfs inzet van Celine Dion geoorloofd was om een gevoel van romantisch geluk uit te drukken. Film werd af en toe ook uitgesproken kunstmatig en zelfverwijzend. De vierde muur werd weggehaald in Funny Games: we vonden het prachtig. Het decor werd nadrukkelijk decor in Dogville: we prezen de moed. Maar doodleuk beginnen te zíngen? Hoe platvloers. Van de houterige, geforceerde taferelen in de begindagen van de film, naar echter dan echte onthoofdingen, dinosauriërs en ruimtevaartuigen die je nog nooit hebt gezien – ergens daartussenin moet de musical bevangen zijn geraakt. Want musical moet je kijken zoals je poëzie leest. De constatering dat musical geconstrueerd is, is niet alleen overbodig, maar ook ongeveer negentig minuten te vroeg.

Ah, poëzie, dat is hoge cultuur. Musical is te low voor onze brow. Of net too high? Kunsthistoricus Russell Lynes schreef in zijn essay ‘Highbrow, Lowbrow, Middlebrow’ in 1949 al, dat de oude klassen niet meer van toepassing waren en we ons in plaats daarvan voortaan op smaak zouden onderscheiden. In een handig schemaatje deelde Lynes musicalfilm in  bij ‘lower middle brow’, samen met kant-en-klare sladressing en sculpturen (of in Nederlands geval kabouters en laven) voor in de voortuin. Hoewel Lynes het wat ironisch bedoelde, werd het toch mode jezelf aan de hand van je keuze op gebied van sladressing en film in te delen. Ben ik high or low? John Stuart Mill beweerde (veel eerder dan Lynes, in Utilitarianism) zelfs dat het oordeel daarover absoluut kon zijn. In zijn poging verwerkte Mill de fameuze aanname dat kwaliteit kwantificeerbaar is. Het een is letterlijk ‘meer waard’ dan het ander, Mozart meer dan Marco B., poëzie van Plath meer dan Saskia Noort. Wie is degene die daarover beslist? Nou, Mill en zijn vrienden. Zij die zowel kennis hebben gemaakt met de eenvoudiger pleziertjes, als de hogere soort, zouden er volgens Mill nooit voor kiezen een ‘vermaakt varken’ te zijn. “It is better to be a human being dissatisfied than a pig satisfied”. Dat u het weet. Hoewel we nu alleen nog kunnen lachen om mannen als Mill, is het aan musical blijven plakken, die geur van middelmaat en goedkope slasaus.

In Nederlandse film is er die kloof, tussen de Nijenhuisjes en de Leopolds. Daarin lijkt voor musicalfilm,  het middendomein, geen plek (hoewel, in Nederlandse films zit vaak wel die sleutelscène waarin Georgina Verbaan op een tropische locatie een dans- of zangwedstrijd moet winnen).  Vandaar, dat Soldaat van Oranje een musical werd die al drie jaar uitverkocht in het theater staat, maar de musicalfilm alleen Ja Zuster, Nee Zuster (2002) bracht. Musical is het terrein van Simone Kleinsma, Chantal Janzen en Jamai, en als dat je ‘ding is’ zoek je het maar in het nieuwe DeLaMartheater. Dat miljoenen zich daar aan musical laven, wil wel íets zeggen.

Het staat er slecht voor met ons land. 6% werkeloosheidsstijging geraamd dit jaar. Onze banken zijn van de staat. Willem-Alexander is onze koning. We hebben onze veelbelovende toekomst wel achter ons. Alleen export (film?) is nog een groeikans. Moet ik de vergelijking met de jaren dertig echt nog maken?

Er is maar een ding dat ons kan verlossen. Musical! Casting? Pas de problème. Zagen we allemaal Annet Malherbe niet op de Uitmarkt staan zingen als een ware diva? Kim Feenstra is geloof ik doof aan een oor, maar Simone Kleinsma doet vast graag haar zang over. Deden ze in de jaren dertig ook. Ander ideetje: met kansarme kinderen werken die je hebt gevonden in een workshop in de Schilderswijk. Supermarktslasaus, daar is eigenlijk niets mis mee. Hoge cultuur is allang dood. Mill en Lynes ook.  Hoog en laag, het is allemaal uitgemond in een grote blubberpoel, waarbinnen we vrijelijk mogen voortploegen. Wat mij betreft mogen karakters vanaf nu te pas en te onpas in gezang uitbarsten. ♪ ♫ ‘WaaaarooOOOOOoooom!? Waarom IK!? Waarom NU?’ ♪ ♫ . We zullen als tevreden varkens rollen door de modder.

(Dit stuk verscheen eerder in 609 – het blad van het Mediafonds)

Advertenties

2 gedachtes over “Tevreden varkens naar de musical

  1. Nederlandse musical is niet meer te redden. Als je ziet wat er tegenwoordig te bekijken is in de Nederlandse theaters, kom je slecht vertaalde versies tegen van productie waar de ‘normale’ Nederlander nooit van gehoord heeft (Urinetown, Into the Woods), of de klassiekers zoals Les Mis of Miss Saigon, die als kweekscholen voor nieuw talent bekend staan, maar al snel volgestopt worden met b-sterretjes uit talentenjachten, terwijl echt talent (Na-Jong Yeon als Fantine in Les MIs op West End, Pia Douwes (Elisabeth, 3 Musketiers e.a. in Duitsland & Oostenrijk) of Willemijn Verkaik (Wicked in Duitsland en binnenkort ook Londen) naar het buitenland gaat.

    En de Nederlandse vertaling is ook vaak te slecht voor woorden. Buiten echt goede vertalers (Daniel Cohen, Coot van Doesburgh), wordt de theaterbezoeker te vaak blootgesteld aan de tenenkrommende rijmelarij van een Martine Bijl.

    Gelukkig is het Nederlandse werk (Soldaat van Oranje, Rembrandt, Cyrano, Joe etc. veelal van prima niveau gebleken.

  2. Hee Daan! Ik heb het hier wel over musicalFILM natuurlijk hè. Wat ik maar wil zeggen is dat er plek is voor meer ‘middle brow’film, en musical leent zich daar prima voor. Troep uit het verleden laat ik natuurlijk buiten beschouwing. Moedig voorwaarts!~

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s