Uitkrant #33: waarin ik iedereen wantrouw

Uitkrant #33: waarin ik iedereen wantrouw

In de kerstvakantie staat ongevraagd een dilemma voor mijn voordeur. Door het raampje onderin zie ik dat er kindervoeten staan ik ben dus al op mijn hoede. Ik ken geen kinderen. ‘We zamelen geld in voor de arme mensen’, zegt de grootste van twee jongens van een jaar of 8.

De arme mensen, zeg ik, wie zijn dat dan? De tweede valt bij dat ze niet precies weten om welke arme mensen het gaat, maar dat ze gestuurd zijn door de basisschool verderop. ‘Mensen die niets te eten hebben.’ Ze hebben geen collectebus bij zich en ook al geen formulier waarop in schoolschrift is ingevuld wat er is ingezameld.

Ik zie ineens voor me dat ze van het geld dat ik ze geef kleine vuurwapens zullen kopen en illegaal vuurwerk dat ze om katten in de buurt zullen binden, terwijl ze rokend proosten op de buurvrouw. Ik kijk de kinderen aan en probeer met mijn laserblik hun jonge zieltjes te breken, tot ze snikkend zullen toegeven dat ze inderdaad geld inzamelen voor zichzelf.

Dat heb ik zelf immers ook zo vaak bedacht, toen ik 8 was, om geld in te zamelen voor mezelf. Als we bij de vrijgevigste huizen zouden langsgaan, en we hadden dankzij de kinderpostzegels goed in kaart welke dat waren, zouden we ons misselijk kunnen eten aan aardbeiveters.

Het bleef bij dromen, trouwens. Wel heb ik eens met deur-tot-deurverkoop zilveren kettingen verkocht: kleine mergelsteentjes die ik uit het plantsoen had gegraaid, ingepakt met aluminiumfolie aan een lintje. Op die zwendel had ik tenminste mijn best gedaan. Deze jongens nemen niet eens de moeite te bedenken voor welk arm land ze zogenaamd inzamelen. Amateurs. En toch, ik twijfel. Mogelijk zie ik in deze loepzuivere, nobele kinderen, die hun vrije zaterdag opofferen voor de minder gefortuneerden van de wereld, alleen maar het doortrapte kind dat ik zelf ben geweest.

‘Het is voor kerstmis’, zegt de een en houdt zijn hoofd schuin. Ze spelen het keihard. ‘Ik ga even kijken hoeveel contant geld ik nog in huis heb’, zeg ik en loop mijn halletje in. Achter me beginnen de jongens tegen elkaar te smiespelen.

‘Sorry jongens, alleen maar briefjes van 200’, zeg ik. ‘Ik heb anders nog wel wat voetbalplaatjes voor jullie, of een mandarijntje?’

Toch blijft de kwestie van de arme kinderen de hele kerstvakantie lang knagen. Ben ik A. een paranoïde zeiksnor, die haar medemens onterecht wantrouwt, of B. een niet op haar achterhoofd gevallen vrouw van de wereld met een feilloze leugendetector?

Het gaat hier om mijn zelfbeeld. Als ik de kinderen op het plein van de school zie spelen, kijk ik even of ze soms nieuwe schoenen dragen, of een holster. Er zit niets op behalve de school op te bellen. Een mevrouw met een warme stem, ik hoop hun juf, neemt op. ‘Wat een boefjes!’, zegt de juf. Er is zeker weten geen kerstinzameling voor de arme mensen geweest. Of ik misschien een signalement heb van de verdachten? ‘Nee mevrouw, ik weet niet meer hoe ze eruit zagen’, lieg ik. Leuker om een politieschets van ze te maken en gezocht-flyers door de buurt te verspreiden.

Advertenties

2 gedachtes over “Uitkrant #33: waarin ik iedereen wantrouw

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s