De laatste

De laatste

Van 2016 tot 2019 scheef ik een column in de Uitkrant. Dit is waarom ik stopte.

Vanuit mijn keukenraam kijk ik uit op een oud brugwachtershuisje, vlakbij Metrostation Noorderpark. Het blokkendoosje op betonpoot stond daar in mijn beleving grandioos werkeloos te zijn, als een stenen middelvinger naar de stad, tot ik er van de week langsliep. Toen zag ik ineens een vlag uit de gevel steken. Mijn authentieke uitzicht bleek godnondeju al tijden een tiny hotel te zijn, pal op het bus- en metrostation, naast twintig stoplichten, bovenop knooppunt S116. Heel even voelde ik dat specifieke, tintelende gevoel van een naderende column, en toen: opluchting, ontspanning, berusting. Ik stop namelijk. Ik liep door. Zo voelt dat dus, dacht ik.

Het zal wennen. Het idee ontstond toen ik laatst besloot mijn stukjes terug te lezen (schrijvers, lees nooit je eigen stukjes terug) en er ineens een doembeeld van de pagina’s opsteeg. Ik mocht hier schrijven over de stad, en het is me min of meer gelukt het luchtig te houden: uniforme regenjassen, een hysterische kapper, of Amsterdammers die zich groot houden in aanwezigheid van BN’ers, dat werk.

Toch bleef een ander, minder geestig verhaal terugkeren. Toen ik hier begon, drie jaar geleden, stak ik het IJ over naar mijn nieuwe huis, zoals zo veel Amsterdammers deden. Ik beschreef de wrijving tussen oud- en nieuw-Noord, tussen een tentje als Smaaqt en het bruine café Oud-Noord ernaast. Hoe ik uit mijn oude buurt in West was weggegentrificeerd, maar in mijn nieuwe wijk zélf het juk der yuppen mocht dragen.

Ik was de trut die hier de huizenprijzen kwam oppompen, met mijn onstilbare behoefte aan kaas van goede komaf. Klopte ook, al kon ik er niks aan doen. Twee jaar later schreef ik over mijn zus, die afgelopen week zoals zovelen is gezwicht voor een huis met eigen gft-bak in Zaandam, waar zíj dan weer de omhooggevallen stadse mag zijn. Zo rimpelen in kringen steeds net-niet-op-hun-plek-passende, steeds iets minder Amsterdamse Amsterdammers naar buiten.

Dat was het grotere verhaal waartoe al die kleine verhaaltjes terug te leiden waren, en ineens vond ik het af. Of zeg maar gerust: ik had even genoeg van mijn eigen gezeik, over Macbikes en illegale Airbnb’s. Misschien spelen mijn meningen over een paar maanden wel op, en word ik noodgedwongen een vrouw die brieven aan de gemeente schrijft, buurtapps bestookt en bewonersbijeenkomsten belegt. Maar misschien, en dat is eigenlijk mijn stille hoop, word ik een vrouw die weleens zwijmelend over een grachtje staart, zonder dat zoeklichtje aan, zonder mijn toegeknepen westernoog en gefronste brauw.

Het is immers ook míjn stad waar ik het over heb, en ik ben intussen ook thuisgekomen – maakt u zich daar geen zorgen over. Ik ben thuis als mijn overburen me weer eens helpen inbreken als ik mezelf heb buitengesloten. Als de groenteman op de Van der Pek me op de pof de boodschappen meegeeft, en als ik de trappen van Metrostation Noorderpark beklim.

Ik ga deze zomer naar Royal Vis, ijssalon IJskoud de Beste én kaascurator Kef, alles zonder mijn gedrag of omgeving in een sociaal-maatschappelijke context te plaatsen. Als het jeukt, grom ik naar een tiny hotel of steek een tak tussen de spaken van een langsjakkerende Macbike. Maar ik vertrek met het tevreden gevoel van iemand die precies op tijd een goed feest verlaat. Het zeiken, of zwijmelen natuurlijk, laat ik in handen van mijn opvolger, Anne Marieke Samson. Ik bedank Bart, San en Renate, Janna en de Uitkrant. En vooral: iedereen die helemaal tot hier heeft gelezen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s