De voorlaatste Uitkrantcolumn, waarin ik het glazen muiltje van de stad zoek

De voorlaatste Uitkrantcolumn, waarin ik het glazen muiltje van de stad zoek

Er was natuurlijk niks mis met mijn haar. Toch sluimerde dat vage gevoel dat er meer in zat, en dat mijn doordeweekse kapper met zijn prijzen in felgekleurde stickers op de ruit dat niet in zich had. Dus ik googlede ‘allerbeste kapper van Amsterdam’ en belde deze allerbeste kapper op. Ik kon wel langskomen, aldus de opperkapper, voor een intake. Een intake? Ja, een losse afspraak om een plan te maken voor mijn treatment en coloring. Belangrijk, zei de kapper ferm, om eerst alles goed door te spreken en een specifiek plan te maken voor míjn haarstructuur.

Ik dacht aan mijn agenda, sputterde wat tegen en zei dat mijn haar het gemiddelde van het gemiddelde is, qua kleur, structuur en personality. Tegelijk was ik geboeid: dit moest écht de opperkapper zijn. Het zou maar zo’n twintig minuten duren, zei hij – ongeveer twintig keer zo lang als de kapper normaalgesproken over mijn haar praat. Maar ja, waar had die aanpak me gebracht? Was mijn haar soms het aller-allerbeste haar van de stad? Dacht het niet. Ik begreep toch ook wel dat een kapper van dit kaliber niet in het wildeweg begint te kappen. Dus fietste ik een paar dagen later door het centrum richting intake, en lachte mezelf alvast stilletjes uit: óf ik was een mondaine vrouw die de finesses van het leven beheerst als geen ander, óf een hersendode slaaf van het consumentisme.

Ik kan er niets aan doen: ik zal de stad altijd doorzoeken, omdat je van alles wat je maar kunt willen, altijd een mooiere, verfijndere, betere variant kunt vinden. Het zal te maken hebben met mijn jeugd in een dorp met één kapper, één slager en één schoenenwinkel, die nooit, maar dan ook nooit de schoenen had die ik in mijn lievelingsfilms gezien had: de glazen muiltjes van Assepoester, lak met een bandje zoals Annie, of de tapschoenen uit Singin’ in the Rain. Bijgevolg ben ik als volwassen consument voortdurend betoverd door nieuwe mogelijkheden, door een nieuwe, mogelijk beste mogelijkheid.

In Amsterdam kan ik altijd een glazen muiltje vinden, hoe onpraktisch die dingen ook mogen zijn. Zo kwam ik onlangs in een cocktailbar waar de ober bij de uitleg van de kaart glimmend van trots meedeelde dat de mixologist speciaal voor vanavond was ingevlogen uit Londen. Vliegschaamte is in de mixologenwereld kennelijk nog geen thema. Een cocktail is natuurlijk níét eenvoudigweg een mengsel van drankjes volgens een vaste receptuur. Een cocktail draagt de stempel van de mixologist, naast zijn ecologische voetafdruk dus.

Of deze cocktail dat allemaal waard was? Ik zou zeggen van niet. Nou weet ik überhaupt niet zo goed of ik het verschil tussen een heel lekkere cocktail en een heel, héél lekkere cocktail precies kan proeven – vooral na twee cocktails neemt mijn fijn afgestelde beoordelingsvermogen drastisch af – en als ik dat dan al kon proeven, hoeveel dat dan waard zou zijn. De cocktail was prima, net als mijn haar. Ja, denk ik als ik in de spiegel kijk, ik zie een soort… schittering. Misschien is de grootste factor in het succes bij dit soort zaken wel je bereidheid om jezelf te betoveren.

Advertenties
Tv-recensie #27: Hotel Rules

Tv-recensie #27: Hotel Rules

Even was ik sprakeloos, toen ik de opzet las van het nieuwe Net5-programma Hotel Rules: ‘Vijf stellen gaan elkaars bed and breakfast verbouwen’. Er drong zich een akelig toekomstvisioen op, waarin ik voortdurend hybrides van bekende tv-hits zou moeten bespreken: ik zag een programma als U vertrekt voor me, waarbij buren een verrassingsemigratie voor elkaar organiseren, of Jouw Rouw, Mijn Rouw, waarbij families die een opa of oma verloren een uitvaart voor elkaar bedenken.
Tv-recensie bij de de Volkskrant lees je hier.

Hotellrules1.png

Uitkrant 36: waarin ik gezellig met de buren om het vuur kruip

Uitkrant 36: waarin ik gezellig met de buren om het vuur kruip

Het is zaterdagavond en dit is het plan: ik ga opgekruld in de hoek van de bank zitten om een Netflixserie te kijken die ik niet per se hoef te zien en af en toe zal ik, één slapend been achter me aan slepend, naar de keuken gaan voor proviand. Ik heb mijn ogen al strak op een of andere truecrime-toestand gericht, als ineens een doffe knal klinkt: pal voor mijn raam schiet binnen één tel een manshoog vuur op. Zie ik een schim wegschieten? Ik druk op de pauzeknop. True crime. Voor míjn raam. Een scooter staat in de fik, en dan een tweede. Call 911! Nee sorry, 112.

Als ik ophang klinkt er een kanonslag, dat zal de tank zijn, en is het vuur een verdieping hoog. Mijn huiskamer baadt in rood licht, de hitte broeit al door het glas. Gehypnotiseerd staar ik in de knetterende vlammen. Opvallend, hoe makkelijk het is om iets boeienders te maken dan er op Netflix is.

Ook de buren hebben hun tv’s gepauzeerd en komen in banktenue hun huizen uit. Ik loop op sokken naar buiten. Daar is Rob, hij noemt zich de buurtnazi, en tsja, kom hoe heet ze ook alweer, die aardige oudere buurvrouw met wie ik te vaak een kletspraatje heb gemaakt om haar naam nog te kunnen vragen. Ik bedenk dat ik van vrijwel geen van hen de naam ken, alleen hun huisnummer: ik spreek ze van dankjewel-doei als we pakketjes uitwisselen die we voor elkaar hebben aangenomen. Je kan veel zeggen van die brandstichters, maar ze brengen de mensen wel bijeen.

‘We kunnen dit vaker doen’, zegt nummer 210, die Sjoerd blijkt te heten, terwijl hij een sjekkie rolt. Een ander stelt een buurtbarbecue voor. Even krijg ik de aandrang mijn tuinmeubilair te offeren aan het vuur. Wat grof vuil erop, zo’n kinderfietsje of een conifeer, iemand pakt een sixpack – maar dan maakt een brandweerman met een sissende straal een eind aan het spontane buurtfeest.

Een politieman kijkt met zijn armen over elkaar toe. ‘Ik zag nog iemand weglopen’, zeg ik tegen hem, terwijl ik me afvraag of de vermoedelijke schim ook een kat had kunnen zijn, ‘die kant op’. Ik kijk de agent verwachtingsvol aan, met een blik die zegt: apport agent!, alsof ik de hoop koester dat hij het op een hollen zal zetten, die kant op, om versterking zal vragen via zijn portofoon, en er dadelijk een formatie van helikopters met groot licht boven mijn huis zal cirkelen. Je probeert er toch alles uit te halen, zo’n zaterdagavond. Hij verroert geen vin. ‘Het is vreselijk lastig, vrijwel onmogelijk, mevrouw, om brandstichters te pakken’, zegt de agent. Even kijk ik de kring rond: de pyromaan kan in ons midden zijn, die is een blokje om gegaan om dan te komen kijken, zo gaat dat heb ik op Netflix gezien.

’Heeft u een signalement?’, vraagt de agent, om toch maar iets te vragen. Even overweeg ik een nauwkeurige omschrijving te geven van mijn ploertige overbuurman, maar ik ben door de brand in een immens buurlievende bui en schud braaf mijn hoofd.