Uitkrant #35: waarin ik beter direct de bioscoopzaal had kunnen verlaten

Uitkrant #35: waarin ik beter direct de bioscoopzaal had kunnen verlaten

‘Ho ho’, klinkt een stem. Het is de oudere dame met de kunstzinnige oorbellen, die zojuist onze filmkaartjes heeft afgescheurd. ’Mag ik nog even in jullie tas kijken?’ Ik kijk verbaasd. ‘Controleren of jullie geen rumoerig eten bij jullie hebben’, zegt ze. ‘Dat gekraak van popcorn kan niet hè?’ De vrouw keurt de muisstille wraps die ons avondeten moeten worden en gunt ons het voordeel van de twijfel.

Dan gebeurt er iets ergs: we blijken voor twee verslaggevers te zitten. De verslaggever is het type bioscoopbezoeker dat elk grapje uitlegt aan zijn gezelschap en ook alvast vermoedens over de moordenaar uitspreekt. Een soort cinema-gilles de la tourette waardoor alles dat fijn, subtiel en impliciet is, expliciet wordt gemaakt. Verslaggevers kunnen er zelf niets aan doen, en je kunt deze verbaal incontinenten niet herkennen voordat je een stoel kiest. Hoewel, en ik begeef me hier op riskant terrein: ik wil niet zeggen dat alle ouderen verslaggevers zijn, maar alle verslaggevers zijn wel ouderen.

Stuur me geen brieven om me ervan te overtuigen dat het juist jonge mensen zijn die met hun kraakchips en pingtelefoons het bioscoopklimaat verpesten, met hun kaarsrechte wervelkolommen die het zicht op de ondertiteling belemmeren. Jongeren zijn natuurlijk óók hufters, maar van een ander soort. Ik weet na honderden bioscoopbezoekjes wat ik weet. En ik weet ook, dat ik, als ik voor twee verslaggevers terechtkom, ik het beste meteen de zaal kan verlaten.

Ik wil namelijk geen film kijken met de AliExpress-versie van regisseurscommentaar, maar ik ben ook niet in staat er iets aan te doen. Als je eenmaal shhhhhhh hebt gesist, draag je de rest van de film de zware last van het gelijk. Ik kijk achter me: zijn het misschien Indiase mensen? In India schijnt het normaal te zijn om in de bioscoop te praten. Ik weet dat niet uit ervaring, want ik zou nooit naar een land gaan waar mensen praten in de bioscoop. Ze stoppen vast zo, denk ik. Maar een verslaggever stopt nooit. Het liefst zouden ze er laser-pennetjes bij pakken, om op het scherm aanwijzingen aan te wijzen.

Mijn date weet dat en blaft de verslaggevers toe stil te zijn. De vrouw reageert gepikeerd, alsof haar kortingspasje ter plekke werd doorgeknipt. Mijn date fluistert de oudere dame hierop iets te hard een nare ziekte toe, zo een waarop ze op haar leeftijd al goede kans maakt. De verslaggevers letten hierna niet meer op de film – net goed, niemand gaat meer genieten vanavond. Ze letten alleen nog op of ik wel stil genoeg ben. Ik kijk mijn date woest aan. De slappe wrap ligt in mijn tas. Mijn maag knort. Ogen branden in mijn nek.

Pas gisteravond, toen ik de ontknoping van Wie is de Mol? keek, zag ik een oplossing: Mol-fans in het publiek zwaaiden met vlaggetjes, met daarop hun vermoedelijke mol. Ik pleit voor verslaggeversvlaggetjes in de bios, waarmee bezoekers die iets hebben begrepen mogen zwaaien. Stil. In het donker.

 

Advertenties
Uitkrant #34: waarin ik vrees steenrijk over te blijven

Uitkrant #34: waarin ik vrees steenrijk over te blijven

Bij de post zit een brief waarin staat dat ik rijk ben. Tenminste, als ik even meewerk. Volgens de brief willen namelijk alle urban professionals in Noord wonen en zou ik wel gek zijn als ik daar niet koninklijk van profiteer. Ik krijg de brief trouwens regelmatig, zo regelmatig dat ik begon te vermoeden dat er een bron van printerinkt in de grond onder mijn huis moet zijn gevonden. Maar nee, mijn huis is zomaar 70% in waarde gestegen, zonder dat er iets aan is verbeterd. Het slechte nieuws: alle andere huizen in de buurt ook, dus ik moet na de verkoop helaas verhuizen naar Bommelskous of Dwingeloo.

Steeds als ik de brief krijg, ligt hij me een tijdje op mijn bureau aan te kijken. Taxatie, de foto’s voor op funda, alles gooit de makelaar gratis in de strijd. Steeds meer mensen rondom mij zwichten. Mensen die kinderen hebben gekregen, of honden, mensen die geen zin hebben om met hun kinderen en honden een hoogslaper te delen. De een na de ander verhuist de stad uit, of begint te zinspelen op z’n vertrek door subtiele plattelandspropaganda te verspreiden. Ze gaan naar Landsmeer, Wormer, Lutjewinkel, of nog verder. En ze plegen onderling geen enkel overleg met elkaar om ook maar enigszins in een praktisch patroon rondom mij te gaan wonen.

Sinds kort is ook mijn zus gaan dreigen. De hond heeft ze alvast. Voortdurend stuurt ze funda-links van snoezige hans-en-grietje-huisjes die grenzen aan wijdse natuurgebieden. Ik doe dan alsof ik haar het buitenleven en geluk van harte gun, maar ik helaas een fataal gebrek aan het huis heb gevonden. ‘Ai… het grondtype in dit gebied is erg gevoelig voor bodemverzakkingen en zinkgaten’, stuur ik terug, ‘dat wordt opnieuw funderen!’. Zeggen dat het huis recht onder een aanvliegroute danwel op een breuklijn ligt, werkt ook altijd. Trekt ze toch niet na. Als ze volhoudt, heb ik altijd een rottende dakconstructie achter de hand. Dan zit mijn taak er weer op, en blijft ze alsnog om de hoek in Noord wonen.

Voorlopig, dan. Op een bepaald moment zijn mijn breuklijnen, houtwormen en aanvliegroutes op. Dan zit ik hier, zonder zus, tussen gebouwen die Manhattan en Buenos Aires heten. Vandaar dat de brief blijft liggen. Het is een dreigement – zoiets gooi je niet zomaar weg. Als ik mensen op het bankje tegenover mijn huis zie zitten, stel ik me voor dat het vermomde investeerders zijn. Hebben ze nou een bouwtekening bij zich, en zwaait die vrouw daar met een kleurenwaaier? Als ik erlangs loop, zou ik zweren dat ze me zachtjes toesmiespelen: ‘Ey, psssst… verkopen?’

Misschien moet ik me voorbereiden op het onvermijdelijke en me toch maar oriënteren op het buitenleven. De echte breuklijn ligt aan de ring, het is alleen nog afwachten aan welke kant ik mee mag doen. Ik denk dat ik de makelaar toch eens uitnodig voor de vrijblijvende taxatie. Al is het maar om ze een middagje van hun werk te houden.

Uitkrant #33: waarin ik iedereen wantrouw

Uitkrant #33: waarin ik iedereen wantrouw

In de kerstvakantie staat ongevraagd een dilemma voor mijn voordeur. Door het raampje onderin zie ik dat er kindervoeten staan ik ben dus al op mijn hoede. Ik ken geen kinderen. ‘We zamelen geld in voor de arme mensen’, zegt de grootste van twee jongens van een jaar of 8.

De arme mensen, zeg ik, wie zijn dat dan? De tweede valt bij dat ze niet precies weten om welke arme mensen het gaat, maar dat ze gestuurd zijn door de basisschool verderop. ‘Mensen die niets te eten hebben.’ Ze hebben geen collectebus bij zich en ook al geen formulier waarop in schoolschrift is ingevuld wat er is ingezameld.

Ik zie ineens voor me dat ze van het geld dat ik ze geef kleine vuurwapens zullen kopen en illegaal vuurwerk dat ze om katten in de buurt zullen binden, terwijl ze rokend proosten op de buurvrouw. Ik kijk de kinderen aan en probeer met mijn laserblik hun jonge zieltjes te breken, tot ze snikkend zullen toegeven dat ze inderdaad geld inzamelen voor zichzelf.

Dat heb ik zelf immers ook zo vaak bedacht, toen ik 8 was, om geld in te zamelen voor mezelf. Als we bij de vrijgevigste huizen zouden langsgaan, en we hadden dankzij de kinderpostzegels goed in kaart welke dat waren, zouden we ons misselijk kunnen eten aan aardbeiveters.

Het bleef bij dromen, trouwens. Wel heb ik eens met deur-tot-deurverkoop zilveren kettingen verkocht: kleine mergelsteentjes die ik uit het plantsoen had gegraaid, ingepakt met aluminiumfolie aan een lintje. Op die zwendel had ik tenminste mijn best gedaan. Deze jongens nemen niet eens de moeite te bedenken voor welk arm land ze zogenaamd inzamelen. Amateurs. En toch, ik twijfel. Mogelijk zie ik in deze loepzuivere, nobele kinderen, die hun vrije zaterdag opofferen voor de minder gefortuneerden van de wereld, alleen maar het doortrapte kind dat ik zelf ben geweest.

‘Het is voor kerstmis’, zegt de een en houdt zijn hoofd schuin. Ze spelen het keihard. ‘Ik ga even kijken hoeveel contant geld ik nog in huis heb’, zeg ik en loop mijn halletje in. Achter me beginnen de jongens tegen elkaar te smiespelen.

‘Sorry jongens, alleen maar briefjes van 200’, zeg ik. ‘Ik heb anders nog wel wat voetbalplaatjes voor jullie, of een mandarijntje?’

Toch blijft de kwestie van de arme kinderen de hele kerstvakantie lang knagen. Ben ik A. een paranoïde zeiksnor, die haar medemens onterecht wantrouwt, of B. een niet op haar achterhoofd gevallen vrouw van de wereld met een feilloze leugendetector?

Het gaat hier om mijn zelfbeeld. Als ik de kinderen op het plein van de school zie spelen, kijk ik even of ze soms nieuwe schoenen dragen, of een holster. Er zit niets op behalve de school op te bellen. Een mevrouw met een warme stem, ik hoop hun juf, neemt op. ‘Wat een boefjes!’, zegt de juf. Er is zeker weten geen kerstinzameling voor de arme mensen geweest. Of ik misschien een signalement heb van de verdachten? ‘Nee mevrouw, ik weet niet meer hoe ze eruit zagen’, lieg ik. Leuker om een politieschets van ze te maken en gezocht-flyers door de buurt te verspreiden.